• Gemeentehuis2-thumb
    INLIA - partner van gemeenten
  • College_rvdm_vz_mw_l_koster-thumb
    "Bed-bad-brood is de absolute ondergrens; daar onderhandel je niet over" (mr Laurien Koster, voorz College voor de Rechten van de Mens)
  • Zanen_jan_van_bm_utrecht-thumb
    "Openbare orde, daar ben ìk van en niet de staat" (burgemeester Jan van Zanen van Utrecht, 26/9/14)
  • Jos_wienen_bm_katwijk-thumb
    "We moeten voorkomen dat mensen creperen" (Jos Wienen, burgemeester van Haarlem en voorz Platform Asiel v/d VNG)
  • Victor_everhardt_wethouder_gem_utrecht-thumb
    "Dit is geen bestuurlijke ongehoorzaamheid maar onze eigen verantwoordelijkheid" (wethouder Victor Everhardt, Utrecht)
  • Tri_uit_wageningen_kinderpardonpas-thumb
    "Ze zeggen dat het terugsturen is, terwijl het eigenlijk wégsturen is" (Tri uit Wageningen, 11 jaar, afgewezen voor het kinderpardon)
Voorbeeld noodopvang notitie 

ZORG VOOR DAKLOZE VREEMDELINGEN

I Inleiding

Maatschappelijke organisaties, waaronder ook lokale kerken, maken zich al lange tijd ernstig zorgen over het toenemende aantal dakloze asielzoekers. Steeds vaker wordt ook op gemeentebesturen een beroep gedaan door of namens vreemdelingen, aan wie als gevolg van het rijksasielbeleid niet langer opvang en andere voorzieningen worden verstrekt. Het aantal asielzoekers dat buiten de opvang gezet wordt stijgt tot enkele duizenden per jaar. De problematiek neemt zowel in aantallen als in categorieën dakloze vreemdelingen in steeds grotere omvang toe. Het is duidelijk dat particuliere initiatieven niet in staat (en ook niet bereid) zullen zijn de inhumane gevolgen van rijksbeleid te blijven compenseren. Tegelijkertijd is een toenemend aantal gemeenten, veelal na direct met schrijnende situaties rondom op straat gezette vreemdelingen geconfronteerd te zijn, bereid initiatieven met betrekking tot noodopvang te financieren en faciliteren. De Stichting INLIA, actief als dienstverlenend bureau voor een verbond van lokale geloofsgemeenschappen, en vaak gezien als 'laatste helper' voor asielzoekers in nood, heeft in overleg met een groot aantal betrokken partijen en organisaties een model ontwikkeld voor lokale noodopvang, op basis van bondgenootschappen tussen gemeentelijke overheden en particuliere, maatschappelijke instellingen waaronder kerken.

II Schets van de problematiek

Maatschappelijke organisaties, kerken en niet in het minst gemeentebesturen, worden zoals gezegd steeds vaker geconfronteerd met dakloze vreemdelingen die een beroep op hen doen. Een deel van deze vreemdelingen is (nog steeds) rechtmatig in een procedure die in Nederland legaal mag worden afgewacht. Een ander deel is afgewezen en dient binnen 28 dagen na het definitief worden van de afwijzende beslissing ons land te hebben verlaten, maar kan of wil dat niet. Enerzijds is dit een probleem dat niet door het eigen beleid van de gemeenten, dan wel het maatschappelijk veld, is ontstaan en waarvoor zij in principe ook geen verantwoordelijkheid dragen. Anderzijds wordt juist de samenleving op lokaal niveau met alle negatieve consequenties geconfronteerd. Vluchtelingenwerkgroepen, andere maatschappelijke organisaties, kerken en gemeentebesturen hebben hier een gemeenschappelijk probleem het hoofd te bieden. Humanitaire aspecten, maar ook het belang van handhaving van openbare orde en veiligheid en volksgezondheidsrisico's, dienen daarbij te worden afgewogen. Gezien het feit dat vrijwel iedere gemeente in Nederland asielzoekers herbergt (AZC's, AVO's, vml ROA-woningen, COW, ZZA, etc), kunnen maatschappelijke organisaties, noch gemeentebesturen aan deze problematiek ontkomen. Een groot aantal burgerlijke gemeenten zoekt inmiddels naar wegen om op een verantwoorde wijze een niet-structurele, niet-geïnstitutionaliseerde, noodopvang voor dakloze asielzoekers in te richten. Een dergelijke noodopvang wordt gefundeerd op een aantal principes:

  • De opvang dient sober, doch humanitair verantwoord te zijn.
  • Opvang kan slechts plaatsvinden gedurende de periode waarin de asielzoeker voldoet aan de criteria die zijn afgesproken voor de noodopvang, en heeft derhalve een tijdelijk karakter.
  • Vanuit het maatschappelijke veld wordt een zo breed mogelijk draagvlak gevormd dat uitmondt in een rechtspersoon (stichting), die de bereidheid heeft om op schrift vastgelegde zorgtaken ten behoeve van de opvang te vervullen.
  • De betrokken gemeentebesturen dragen zorg voor de financiering zodat het maatschappelijke veld in de gelegenheid is deze zorgtaken uit te voeren.
  • Een onafhankelijke, landelijke organisatie (de Stichting INLIA) wordt belast met de toetsing aan de vastgestelde criteria voor verwijzing tot toelating in de opvang, volgt het dossierverloop en beëindigt de verwijzing als betrokkene niet langer aan de criteria voldoet.
  • In gezamenlijkheid wordt getracht de verantwoordelijkheid terug te brengen waar deze thuishoort: in 'politiek Den Haag'.

AL MEER DAN 70 GEMEENTEN

Op dit moment werkt de Stichting INLIA met inmiddels al ± 70 gemeenten in het land en met nog veel meer gemeenten worden gesprekken gevoerd. Dit varieert van kleine gemeenten als Winsum en Doorn tot provinciehoofdsteden als Utrecht, Maastricht, Groningen en Assen.

 

III Categorieën dakloze vreemdelingen

De asielzoekers die geen opvang van de rijksoverheid krijgen zijn globaal in een aantal groepen te vedelen. Voor een aantal van deze groepen is het wenselijk noodopvang te realiseren. Voor een aantal andere groepen is dit - om uiteenlopende redenen - minder wenselijk.

1. Legaal in Nederland verblijvende vreemdelingen (in procedure) Het is wenselijk om voor deze groepen noodopvang te verlenen, daar zij (nog) niet uit Nederland hoeven te vertrekken. Gemeenten zullen dus sowieso met deze mensen worden geconfronteerd.

Dublin-claimanten

Inmiddels is ten aanzien van deze groep besloten dat zij weer in aanmerking komen voor opvang van het COA. Noodopvang voor deze groep is derhalve niet langer noodzakelijk.

Asielzoekers met een AC-afdoening

Asielzoekers die in het kader van de zogenaamde 48-uurs procedure in het Aanmeldcentrum direct een KONO (Kennelijk Ongegrond/Niet Ontvankelijk-beschikking) krijgen van de IND worden ook geacht voor zichzelf te zorgen, ook indien tegen deze KONO-beschikking beroep is ingesteld en om een Voorlopige Voorziening (VOVO) is verzocht bij de Vreemdelingenkamer van de Arrondissementsrechtbank. De uitkomst van deze rechtsprocedure, die 14 dagen kan duren, mag in Nederland legaal worden afgewacht, echter wederom zonder enige voorziening. Indien het beroep en/of de vovo wordt toegewezen, krijgt de asielzoeker alsnog opvang van het COA.

De herhaalde asielaanvragers

Deze zijn te onderscheiden in twee categorieën: aanvragers die binnen 48 uur niet ontvankelijk worden verklaard omdat er onvoldoende nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd (dit ter toetsing door de rechter) en aanvragers die wel worden toegelaten tot de procedure en de beslissing op het verzoek in Nederland van overheidswege (IND), dan wel op last van de rechter, mogen afwachten. Deze mensen verblijven dus legaal in Nederland maar zonder enige voorziening.

Aanvragers reguliere vergunning tot verblijf

Indien er geen asielverzoek (meer) loopt maar nog wel een aanvraag op reguliere (bijv. medische) gronden, die in Nederland afgewacht mag worden, dan is de aanvrager desondanks geheel uitgesloten van voorzieningen. Ook dan staat de vreemdeling op straat zonder onderdak, voedsel, inkomen en verzekering. Vaak verbleven deze mensen tijdens de asielprocedure in de reguliere opvang (COA). Na de definitieve afwijzing van het asielverzoek worden ze uit het AZC gezet, terwijl het verzoek om een reguliere verblijfsvergunning nog in behandeling is bij de IND en mag worden afgewacht. Niet zelden is er dan ook nog sprake van een meldplicht in de gemeente waar het AZC zich bevindt. In dat geval blijft de vreemdeling dus aan de gemeente verbonden waar hij of zij op straat terecht is gekomen. De betrokkene(n) zijn dus wel genoodzaakt om in die gemeente te gaan zwerven en te 'overleven', met alle bijkomende gevolgen. Zo gebeurde het dat een asielzoekersgezin, na een jarenlang verblijf in het AZC, op straat kwam te staan, terwijl ze nog in afwachting waren van de uitkomst van een humanitaire aanvraag en dientengevolge nog legaal in Nederland verbleven. Zij hadden een 9-jarig epileptische en incontinent dochtertje. Het meisje zat in een rolstoel en was afhankelijk van vloeibaar voedsel. Daarnaast volgde ze een revalidatieprogramma en moest ze regelmatig voor behandeling naar het ziekenhuis.

2. Volledig uitgeprocedeerde vreemdelingen

Uitgeprocedeerde vreemdelingen die meewerken met terugkeer

Met de Terugkeernotitie van staatssecretaris van Justitie, Job Cohen (1999), de inwerkingtreding van het Stappenplan 2000 en de invoering van de Nieuwe VreemdelingenWet 2000 (nVW2000; in werking getreden op 1 april 2001) is het Rijksbeleid niet langer gericht op verwijdering. 'Den Haag' gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling die is afgewezen om Nederland te verlaten. Dit dient binnen 28 dagen te geschieden nadat de negatieve beschikking definitief is geworden (bij niet aantekenen van beroep tegen de beschikking of na een negatieve uitspraak van de Vreemdelingenkamer van de Rechtbank op dit beroep). Indien de vreemdeling dan nog niet vertrokken is dan worden alle voorzieningen (huisvesting, uitkering en verzekeringen) onthouden.
Hierbij dient overwogen te worden dat er sprake is van zgn. 'vaste jurisprudentie' ten aanzien van de gang naar de diplomatieke vertegenwoordiging van het land van herkomst als men een Laissez-Passer (LP; soort terugkeervisum) nodig heeft. Uit deze 'vaste jurisprudentie' van de rechtelijke macht blijkt dat pas ná het definitief worden van de negatieve beslissing verlangd mag worden dat de afgewezen vreemdeling zich zal wenden tot de autoriteiten, cq. het consulaat, van het land van herkomst.
Voor vele vreemdelingen - in het geval dat ze meewerken aan hun terugkeer - is het een onmogelijke zaak om het LP binnen de gestelde 28-dagen termijn te verkrijgen. Er zijn nogal wat landen waarbij dit problematisch is, volstrekt buiten de schuld van de afgewezen en meewerkende vreemdeling. In de Terugkeernotitie van de staatssecretaris van Justitie van 25 juni 1999 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, stuk 26.646, nr 1) staat onder meer " Het gaat hier onder meer om langdurige aanvraagprocedures voor laissez-passers en het ontbreken van procedureafspraken over de terugkeer. Het betreft de volgende landen: Algerije, China, Egypte, Eritrea, Ethiopië, Irak, Iran, Liberia, Libanon, Soedan, Sri Lanka, Syrië en een aantal Palestijnen". In aansluiting op hetgeen de staatssecretaris hierover heeft gerapporteerd weten we uit praktijkervaring dat de gestelde 28-dagen termijn in de meeste gevallen onhaalbaar is.
Ook als een vreemdeling die een LP heeft aangevraagd, deze niet binnen 28 dagen heeft verkregen en daarmee ons land kan verlaten, worden zoals eerder geschetst alle voorzieningen onthouden. De betrokkenen staan dan op straat en hebben geen vaste woon- of verblijfplaats meer. Op het moment dat hun LP- aanvraag wordt gehonoreerd staan ze als MOB (Met Onbekende Bestemming vertrokken) geregistreerd bij de Vreemdelingendienst (VD) en de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst). De consequentie hiervan is dat de geldigheidstermijn van de LP verloopt en dat op deze wijze het aantal ongewenste, 'permanente' illegalen toeneemt. Juist door "transitopvang" te bieden aan deze groep meewerkende vreemdelingen kan worden gewaarborgd dat zij uiteindelijk ook kunnen vertrekken naar het land van herkomst dan wel een hervestigingsland. Het actief meewerken aan dat terugkeerproces is een voorwaarde voor het aanbieden van aanvullende opvang aan deze groep. Uitgeprocedeerde vreemdelingen die niet meewerken met terugkeer Vreemdelingen die uit de reguliere voorzieningen verwijderd zijn na een procedure te hebben doorlopen verlenen soms geen medewerking aan hun vertrek. Ze weigeren bijvoorbeeld mee te werken aan het verkrijgen van een Laissez- Passer ("terugkeervisum") bij hun diplomatieke vertegenwoordiging. De enige voorzieningen waarop de hierboven genoemde categorieën vreemdelingen wel een beroep kunnen doen zijn onderwijs voor kinderen in de leerplichtige leeftijd, medisch noodzakelijke zorg via de Medische Netwerken voor onverzekerde vreemdelingen (voorzien via het door minister Borst ingestelde Koppelingsfonds) en rechtsbijstand. Dit is vastgelegd in de Koppelingswet. In het algemeen is het niet wenselijk deze mensen noodopvang te bieden, daar zij (in tegenstelling tot eerdergenoemde groepen) wel een andere keuze hebben dan in Nederland te blijven. Een uitzondering zou gemaakt kunnen worden in humanitair of medisch zeer schrijnende gevallen

3. Bijzonderheden ten aanzien van ex-VVTV houders en vreemdelingen die nog in ROA-voorzieningen verblijven

Een bijzondere groep onder de uitgeprocedeerden wordt gevormd door vreemdelingen die in het verleden een VVTV (Voorwaardelijke Vergunning tot Verblijf) hadden, die inmiddels is ingetrokken, maar waarvan de voorzieningen (nog) niet zijn beëindigd. Met de inwerkingtreding van de nieuwe Vreemdelingenwet komen de verstrekkingen van deze reguliere voorzieningen te vervallen.
Indien er geen verwijdering (uitzetting uit het land) plaatsvindt, zal dit inhouden dat ook deze categorie op straat belandt. Ten aanzien van deze categorie is het duidelijk dat dit alle betrokken partijen voor vragen stelt. Deze mensen hebben inburgeringsprocessen doorlopen, verblijven vaak al vele jaren in de gemeente, zijn niet zelden al redelijk ingeburgerd, hebben vaak kinderen die hier geboren zijn en soms al jarenlang hier naar school gaan, etc. Dit geldt ook voor asielzoekers die nog in ROA-woningen verblijven.
Daar komt nog bij dat veelal het gemeentebestuur hen dient te ontruimen (waterscheidingsverhoudingen). Dit geeft de nodige problemen. Het is daarom voor een gemeente van belang te weten welke (on)mogelijkheden zich voordoen met betrekking tot de terugkeer van deze groepen om toch zo zorgvuldig mogelijk te handelen.
Bijvoorbeeld: Somalische voormalige VVTV-houders kunnen in verreweg de meeste gevallen niet eens terugkeren naar het land van herkomst, wegens de afwezigheid van diplomatieke vertegenwoordigingen die (vervangende) reisdocumenten kunnen verstrekken (let wel: we gaan hier niet in op de vraag of terugkeer al dan niet verantwoord is, maar we kijken puur naar de technische mogelijkheden van terugkeer). Dit roept de vraag op of de IND dan kan verlangen van een gemeentebestuur om de voorzieningen van deze specifieke groep te beëindigen en daarmee de consequenties (ze blijven, want ze kunnen niet weg) op hun eigen (gemeentelijke) stoep te leggen.
Er kunnen omstandigheden zijn die het onverantwoord maken om de voorzieningen te beëindigen. De stappenplannen voor het beëindigen van voorzieningen bieden, onder bepaalde omstandigheden, mogelijkheden om opvangvoorzieningen te continueren. Gemeenten kunnen zich hierover laten adviseren door de Stichting INLIA. Een aantal gemeenten heeft inmiddels van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
Indien het voor de gemeente om wat voor reden dan ook niet mogelijk is om mensen in de voorzieningen te houden, kan het wenselijk zijn de mensen in de noodopvang te plaatsen, wanneer zij bijvoorbeeld meewerken met terugkeer of wanneer er nog sprake is van legaal verblijf.

4. Aantallen Volgens de IND gegevens is er een instroom van ± 20.000 asielaanvragers op jaarbasis.

Zelfs indien 50% van deze mensen zou worden toegelaten dan wel worden verwijderd, hetgeen zeker niet het geval is, staan er nog altijd minstens 10.000 mensen op straat.

In werkelijkheid zijn in 1999 en 2000 ongeveer 6% toegelaten als vluchteling of (toen nog) op humanitaire gronden (VTV). Nog eens 14% werd toegelaten op basis van tijdsverloop hetgeen in de nieuwe procedure volgens de planning niet langer het geval zal zijn waardoor dit percentage komt te vervallen. Zoals bekend vindt verwijdering onder toezicht naar verhouding ook maar in beperkte mate plaats. Het aantal van 10.000 mensen op straat op jaarbasis mag een uiterst voorzichtige schatting heten. In de opvang van overheidswege verblijven op dit moment ruim 70.000 asielzoekers waarvan een substantieel deel (duizenden) is uitgeprocedeerd en dus ook nog op straat zal belanden. Al met al een erg zorgwekkende situatie.
Nu is het niet zo dat alle vreemdelingen zich staande zullen pogen te houden in de directe omgeving van de locatie waar ze buiten de voorzieningen terecht zullen komen. Op basis van de opgedane ervaringen van de afgelopen jaren zouden we met enige voorzichtigheid de volgende situatie kunnen schetsen. De verwachting, op basis van de ervaring van de afgelopen jaren, is dat bijna 40% van deze mensen uit eigen beweging naar het buitenland vertrekt. Ruim 30% vertrekt naar de randstad en een kleine 30% lijkt zich vast te klampen aan de regio waar men buiten de voorzieningen terecht komt. Hier, of in andere Europese landen verblijvende, familie, vrienden of bekenden spelen in de mogelijkheden en keuzes van betrokkenen een grote rol. Mensen die in "de regio" proberen te blijven hebben dikwijls kinderen. Het hebben van kinderen maakt het doorgaans moeilijker om naar het buitenland te vertrekken. Juist ook vanwege de kinderen lijken Amsterdam, Rotterdam e.o. hen geen geschikte plaatsen om met kinderen te verblijven.
In de thans gerealiseerde opvang blijkt deze voor meer dan 80% uit vrouwen en kinderen te bestaan. Deze mensen verkeren in ernstig schrijnende humanitaire omstandigheden. Het ontbreekt hen aan de eerste levensbehoeften zoals voedsel of inkomen, onderdak en adequate gezondheidszorg. We moeten ons realiseren dat het voor een grote groep mensen geen keuze is om op straat te staan of in een sobere noodopvangvoorziening te verblijven; zij zijn slachtoffer van de omstandigheden en hebben hier zelf niet voor gekozen.

IV Plan van aanpak

Het risico dat het soms broze draagvlak voor asielzoekers zal worden aangetast is groot. Daarnaast zijn (bijv.) AZC's binnen gemeentegrenzen veelal tijdelijk gevestigd. De kans dat de bevolking, na de confrontatie met de op straat gezette mensen en eventueel daaruit voortvloeiende problemen, zich sterk zal verzetten tegen verlenging van de vestiging is niet denkbeeldig. De gemeenschap is er in het verleden in ieder geval niet van uitgegaan dat een substantieel deel van de bewoners van een AZC letterlijk op de stoep (in de gemeente) zou komen te staan. De problemen voor alle betrokken partijen in relatie tot de veelal langdurig ingeburgerde ex-VVTV-ers laten zich ook raden.
Gemeentelijke overheden, kerken en maatschappelijke organisaties zijn op elkaar aangewezen als ze, geconfronteerd met de hierbovengenoemde uitkomsten van het beleid, de problematiek het hoofd willen bieden. Geen der partijen zal van de gevolgen gevrijwaard zijn. Samenwerking is dus noodzakelijk. Geen der partijen is in staat zelfstandig een noodvoorziening te organiseren. Lokaal bestuur, kerken en maatschappelijke instellingen zijn in gezamenlijkheid echter zeer wel in staat om voldoende maatschappelijk draagvlak en betrokkenheid van en in de samenleving te organiseren.
Vanwege de schrijnende humanitaire omstandigheden en de zorg voor de openbare orde-, de volksgezondheids- en de maatschappelijke consequenties dient er, hoewel onder protest, een sobere opvang geboden te worden aan een aantal van de hiervoor al genoemde categorieën vreemdelingen conform een hierbijgaand raamwerk . Het betreft in dat geval de (nog) legaal verblijvenden die verstoken zijn van enige voorziening. Daarnaast betreft het volledig uitgeprocedeerde vreemdelingen, zolang ze actief en controleerbaar meewerken aan hun terugkeer, maar de uitreis niet binnen de 28-dagen-termijn kunnen realiseren. Ten slotte, zo heeft de ervaring geleerd, is het nodig te benoemen de categorie vreemdelingen voor wie het gemeentebestuur het om humanitaire omstandigheden onacceptabel vindt dat die op straat verblijft. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan ernstige medische omstandigheden of een op het punt van bevallen staande zwangere vrouw zonder voorzieningen.
Het is aan de gemeentebesturen om te bepalen in welke mate de eigen betrokkenheid (bij de organisatie en uitvoering) gewenst is. Het in staat stellen van betrokken kerken en maatschappelijke organisaties om deze transitopvang te realiseren, in ieder geval financieel, is een noodzakelijke voorwaarde.

V Ten aanzien van INLIA

Naast de actieve betrokkenheid in tientallen plaatsen in het land bij de opzet van plaatselijke samenwerkingsverbanden en gemeentebesturen die actief met deze thematiek bezig zijn en/of daadwerkelijk opvang organiseren, heeft INLIA voor tal van noodopvanglocaties een specifieke taak ten aanzien van de instroom, begeleiding en bewaking van het voortgangsproces en de uitstroom. Door toepassing van eenduidige criteria, die op eenduidige wijze worden getoetst, is er een heldere en werkbare structuur ontstaan. Het daarbij gebruikte model geeft goede controlemogelijkheden en biedt dus de nodige waarborgen aan zowel gemeentebesturen als opvanglocaties.
Ook neemt het de emotie op lokaal niveau weg. Zodra het duidelijk is bij wie men op lokaal niveau moet zijn voor eventuele toelating tot de transitopvang, zullen alle emotionele taferelen zich daar zichtbaar gaan afspelen. Ook beslissingen om de opvang te beëindigen zullen een enorme last vormen voor uitvoerders op lokaal niveau. Daarom is gekozen voor een "uitbestedingssysteem", waarbij INLIA zorg draagt voor deze taken. Dit systeem wordt inmiddels al sinds eind 1998 door INLIA met succes uitgevoerd. Ook is er een centrale registratie waardoor "shoppen" effectief kan worden tegengegaan.
Op 8 maart 2002 en op 20 september 2002 heeft op initiatief van INLIA het zogeheten besloten overleg met vertegenwoordigers van betrokken gemeenten plaatsgevonden. Op deze bijeenkomst is informatie uitgewisseld en zijn belangrijke zaken en voorstellen besproken o.m. ten aanzien van de onthoudingen van voorzieningen aan - en de (on)m ogelijkheden van - terugkeer voor ex-VVTV-ers, het instellen van een landelijke adviescommissie. Op verzoek van de toen aanwezige afgevaardigden zullen dergelijke bijeenkomsten vaker worden georganiseerd. Hierdoor kan (beleidsmatige) afstemming plaatsvinden tussen de gemeentebesturen.
Ook is besloten een adviescommissie in te stellen bestaande uit bestuurders (burgemeesters van betrokken gemeenten), juristen, medici en deskundigen uit het maatschappelijke, ook kerkelijke, veld.

VI Praktische uitwerking en invulling

1. Doelstelling en doelgroepen

Doelstelling:

Vanuit humanitaire en openbare orde overwegingen een tijdelijke noodopvangvoorziening bieden ten behoeve van speciefiek benoemde categorieen vreemdelingen (zie doelgroepen), die zonder voorzieningen van rijkswege verblijven in of ingeschreven staan in de gemeente, en geen mogelijkheden hebben om (zelf of via derden) onderdak te verkrijgen en in hun onderhoud te voorzien.

Doelgroepen:

1. Legaal in Nederland verblijvende vreemdelingen die verstoken zijn van voorzieningen van Rijkswege (geen opvang/huisvesting, geen inkomsten/uitkering, geen ziektekosten- en WA-verzekering).

2. Vreemdelingen die actief en controleerbaar meewerken aan hun vertrek na definitieve afwijzing van hun aanvraag om toelating maar dit niet binnen de door de rijksoverheid gestelde 28-dagentermijn kunnen realiseren en daardoor buiten de voorzieningen (zie onder 1) van rijkswege komen te vallen.

3. Vreemdelingen voor wie het voor het gemeentebestuur op humanitaire gronden onacceptabel is dat zij buiten enige vorm van opvang verblijven. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een ernstig zieke persoon of een hoogzwangere vrouw. Een andere bijzondere omstandigheid - mits nadrukkelijk overeengekomen door betrokken partijen - behoeft niet te worden uitgesloten.

2. Trajectbeschrijving

M = Maatschappelijk veld (Initiatiefgroep, Platform en/of Stichtingsbestuur)
G = Gemeentebestu(u)r(en)
I = INLIA

M: Vanuit kerken en/of maatschappelijke organisaties wordt een Initiatiefgroep opgezet die uit het maatschappelijke veld een draagvlak vormen in een op te zetten Platform (zie hiervoor ook het bijgaand "Concept draaiboek").

M: Iedere kerk en maatschappelijke organisatie die zich betrokken (wil weten) wordt hiervoor uitgenodigd door de initiatiefgroep.

M: In het Platform hebben vertegenwoordigers (max. 2) zitting van iedere kerk en/of maatschappelijke organisatie die aan de opzet en uitvoering van een transit-opvangvoorziening wil meewerken.

M (+I): Het Platform organiseert een informatieavond voor de bestuurlijke achterbannen en kan daarbij een beroep doen op de aanwezige kennis en eerder opgedane ervaringen van INLIA.

G+I: Gemeentebestu(u)r(en) hebben inmiddels de benodigde data aan INLIA verstrekt t.b.v. een capaciteitsbehoefteberekening. Hierop kon de doorstromingscalculatie en begroting worden gebaseerd die hierbij gevoegd is.

G: Er wordt een ambtelijke notitie geschreven voor het College van B&W met daaraan gekoppeld de capaciteitsbehoefteberekening en de daarbij behorende begroting.

G: Het College besluit, daar waar nodig, tot het voorleggen van het voorstel aan de gemeenteraad.

M: Vanuit het Platform worden potentiële bestuursleden aangezocht naar verhouding tot de vertegenwoordiging in het Platform en wordt er een Stichting (de benodigde rechtspersoon) opgezet (standaardmodel zoals bij meerdere gemeenten van toepassing te verkrijgen via Notariskantoor Van Hoogdalem, Praediniussingel 27 te Groningen).

M: Het Platform blijft bestaan als klankbord voor het bestuur van de Stichting, als informatieverstrekker naar de eigen achterbannen, als aanspreekpunt voor het bestuur inzake de inzet, afstemming en betrokkenheid van de achterliggende organisaties alsmede voor de continuïteit.

M: Het bestuur - in afstemming met het Platform - stelt huisregels samen voor de uitvoeringsmedewerk(st)ers en stelt huisregels op voor toekomstige gasten. INLIA heeft hiervoor een concept beschikbaar.

M+I: Het bestuur van de Stichting Noodopvang te …… en de Stichting INLIA ondertekenen de standaard samenwerkingsovereenkomst waarin de onderscheiden (uitvoerings)taken zijn vastgesteld (zie samenwerkingsovereenkomst) na goedkeuring van de inhoud door alle betrokken partijen (gemeente, bestuur St. Noodopvang en INLIA).

! G+M+I Na aanvaarding van het voorstel door de gemeente en goedkeuring van de statuten van de Stichting Noodopvang Dakloze Vreemdelingen …….) wordt een overeenkomst opgemaakt en getekend door de betrokken partijen.

M: Het Platform en het bestuur dragen zorg voor het beleggen van informatiebijeenkomsten met de eigen achterbannen. Daar wordt informatie verstrekt over doelgroep, uitvoering van activiteiten, vrijwilligers geworven, en benodigdheden bekendgemaakt. De Platformleden worden gepresenteerd als contactpersonen en treden op naar en voor de eigen achterban.

M: Vanuit het Platform wordt een coördinatieteam opgezet. Het coördinatieteam draagt de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse leiding ten behoeve van de uitvoering van het vastgestelde opvangbeleid. (Zie hiervoor ook het concept draaiboek en een recent ontwikkeld uitvoeringsconcept).

G+M: De gemeente en het Platform gaan z.s.m. op zoek naar een geschikt pand. Hiervoor kunnen diverse mogelijkheden worden benut. Probeer wel te zoeken naar een pand dat geschikt is voor een vorm van centrale opvang (zie concept draaiboek). Vanuit diverse ervaringen heeft dit de voorkeur. Logistiek, organisatorisch en contractueel maar ook teneinde te voorkomen dat adoptiegedrag gaat ontstaan. Afhankelijk van de capaciteit kan een secretariaatsruimte en een spreekkamer relevant zijn; IOM spreekuur, medische ondersteuning op locatie, besprekingen met individuele gasten, etc. Afhankelijk van de gevonden voorziening zal bepaald moeten worden hoe slaap/verblijfsruimten kunnen worden ingericht.

3. Financiering

De gemeente verstrekt de toegekende subsidie rechtstreeks aan de Stichting Noodopvang. Na het eerste voorschot, waaruit ook een aantal investeringen worden gedaan, wordt per kwartaal middels vooruitbetaling de subsidie verstrekt. Hierdoor kan bij een niet optimale bezetting de kwartaalsubsidie aangepast worden uitgekeerd.
De huidige berekening bestaat uit een gemeentelijke bijdrage van € 7,40 tot € 12,50 per bed per dag. De bezettingsgraad is vooralsnog afgemeten op een doorstroom van 2,5 persoon per bed per jaar.
In de subsidie is verdisconteerd de onkostenbijdrage voor de uitvoeringstaken (1,14 Euro per bed per dag) van INLIA. Daarboven wordt 1,4% van de totaalbegroting in rekening gebracht voor opzet en organisatiekosten.
Voor de inrichting van de huisvesting wordt zorg gedragen door de kerken en maatschappelijke organisaties in het Platform en een evt. beheerder. Ten aanzien van kosten van medische zorg en verzekeringen.
De kosten voor medisch noodzakelijke eerstelijnszorg, (huisartsen, tandartsen, apothekers, verloskundigen en anderen) worden vergoed via het Medisch Netwerk voor Onverzekerde Vreemdelingen te ……. waarvan het bestuur veelal wordt gevormd door de GGD, de zorgverzekeraar, de District Huisartsen Vereniging (DHV) en door INLIA. Deze Medische Netwerken zijn werkzaam in het gehele land (overzicht bij INLIA te verkrijgen). In opdracht van de minister dienen ziekenhuizen en ambulance diensten de door hen gemaakte kosten te verrekenen met de post "dubieuze debiteuren".
Nieuwe WA-verzekeringen kunnen vanwege de Koppelingswet niet worden afgesloten. Uitzondering hierop is de mogelijkheid een nog lopende (categorale) WA-verzekering voor opgevangen asielzoekers uit te breiden (25 euro p.p.per jaar). Indien hieraan behoefte bestaat, kan door de gemeente contact opgenomen worden met INLIA, zodat een WA-verzekering voor de bewoners van de noodopvanglocatie kan worden afgesloten.

VII Wet- en regelgeving

De nieuwe Vreemdelingenwet

(nVW): Kortheidshalve kan gesteld worden dat met de nieuwe VW, in relatie tot zorgplicht, de rijksoverheid zichzelf heeft ontslagen van een aantal zorgtaken ten aanzien van bepaalde categorieën asielzoekers cq vreemdelingen. De nieuwe VW sluit in het geheel niet uit dat giften van overheidswege worden verstrekt aan charitatieve instellingen die deze middelen vervolgens weer aanwenden ter leniging van humanitaire noden, zelfs niet als het illegalen betreft.

De Koppelingswet:

Met betrekking tot de Koppelingswet kan gesteld worden dat deze samenhangt met het onthouden van publieke voorzieningen zoals die van het sociale zekerheidsstelsel. In antwoord op Kamervragen, inzake verstrekking van gemeentelijke subsidies waarmee illegalen werden ondersteund in Amsterdam, stelt de Minister van SZW in zijn beantwoording op 25 augustus 2000 dan ook: " De verstrekkingen van gemeentelijke subsidie aan een charitatieve instelling, indien dit uit eigen middelen van de gemeente gebeurt, is niet in strijd met de wet. De Koppelingswet grijpt niet in op het recht van een private stichting om giften te verstrekken". Tevens stelt de Minister in de beantwoording van de Kamervragen inzake de subsidieverstrekking van de gemeente Amsterdam: "Dit is niet in strijd met de Comptabiliteitswet" en "Er is geen overleg met de gemeente Amsterdam geweest over dit besluit, omdat overleg over het verstrekken van giften, die buiten de sfeer van de sociale verzekeringswetgeving liggen en toegekend worden door een private stichting niet noodzakelijk is".

Conclusie inzake wet- en regelgeving:

De nieuwe VW noch de Koppelingswet vormen een belemmering om noodopvang door charitatieve organisaties uit te voeren met ondersteuning van gemeentelijke subsidies.

Tot Slot

Dit document is mede gebaseerd op "NOTITIE INZAKE (NOODOPVANG VOOR) DAKLOZE ASIELZOEKERS" (inlia/jwr/nda/046) welke is geschreven op verzoek van het bestuurlijk provinciaal overleg van provinciale en gemeentelijke overheden en kerken en maatschappelijke instellingen. Eerder genoemde bijlagen zijn op te vragen bij de Stichting INLIA en bevatten: - oorspronkelijke NOTITIE INZAKE (NOODOPVANG VOOR) DAKLOZE ASIELZOEKERS, febr. 2001; - standaardstatuten; - concept draaiboek; - samenwerkingsovereenkomst; - F1 formulier (intake); - F2 formulier (plaatsingverwijzing).